menu

De Blauwe Bloem 

Deelnemers

Mia Stockman en Luuk Humblet van De Blauwe Bloem:

"In een gezonde economie gaat het niet over geld, maar over mensen en hun behoeftes en bekwaamheden"

"Het is maar goed dat we niet in een winkelstraat zitten, anders zouden we continu onbekende klanten binnenkrijgen", zegt winkelier Luuk Humblet. Een winkelier die geen klanten wil? De Blauwe Bloem is duidelijk geen gewone winkel. Vernieuwing van de economie staat voorop. "Wij zoeken betrokken klanten die deel willen zijn van onze vaste klantenkring."

In de etalages van De Blauwe Bloem aan de Lange Steenstraat - geen winkelstraat - vlakbij het historisch hart van Gent, liggen geen groenten en fruit of andere levensmiddelen uitgestald. Door de grote glazen ruiten ziet de voorbijganger een expositie van posters, folders, boekjes en artikelen op kringlooppapier uit de bijna 40-jarige geschiedenis van de winkel. Erop staan teksten als ‘Economie kan ook anders’, ‘Op weg naar een Associatieve Economie’ en ‘Leven begint met Demeter’.

Wie vervolgens nieuwsgierig binnenstapt (als de deur toevallig open is - de winkel is vaker dicht dan open), zal even in verwarring zijn. Rechts in het ruime vertrek is een open kantoortje en een uitstalling van boeken, links een grote tafel met stoelen eromheen. Er staan thermoskannen thee en koffie klaar. Is het een informatiecentrum? Maar langs de wanden staan houten schappen vol pasta, thee, chocola en verzorgingsproducten. En recht vooruit is een houten toonbank met een kassa, met erachter een klein groente- en fruitschap. Er staat een emmer met bosjes tulpen op de grond. Toch een winkel?

Anders winkelen

Mia Stockman en Luuk Humblet zijn de drijvende krachten achter De Blauwe Bloem - Mia al sinds het allereerste begin in 1976, Luuk enkele jaren korter. “Het belangrijkste deel van de winkel is hier”, wijst Mia. Ze laat een hoek achter in de winkel zien. Er staan grote stellingkasten met ruime vakken, sommige leeg, anderen gevuld met flessen, potten, broden en gebak. Veertig vakken zijn er en onder elk vak staat een naam. “Wij hebben veertig gezinnen als klant. Iedereen bestelt alles van te voren en komt het op de afhaaldagen dinsdag en vrijdag ophalen.”

Wat bij binnenkomst het winkelassortiment lijkt - de schappen met houdbare levensmiddelen en verzorgingsproducten langs de muren - blijkt alleen de restvoorraad te zijn. “Als iemand een fles wijn bestelt, dan kopen wij een doos van zes flessen bij de groothandel. De vijf flessen die over zijn, zetten we in het schap. Producten uit deze restvoorraad kun je ook kopen als je ze niet besteld hebt. Of als je geen vaste klant bent.”

De prijs die een toevallige voorbijganger en een vaste klant voor een reep chocola uit het schap betalen, is niet gelijk. Vaste klanten betalen hun boodschappen in twee gedeeltes, legt Luuk uit. In het ene deel, het ‘boodschappengeld’, zijn de kosten van het product en van het winkelpand (huur, energie) verrekend. Het andere deel, het ‘medewerkersgeld’, is een vergoeding voor de dienstverlening door de winkeliers. “Onze klanten stellen zich garant voor het inkomen dat wij nodig hebben. Wij leven dus niet van de winst. Als de omzet van de winkel groeit, worden wij daar als winkeliers niet rijker van, maar zijn de klanten voordeliger uit. Dan kan namelijk het medewerkersgeld per product omlaag. Dit medewerkersgeld betaalt iedereen eens per maand. De hoogte hangt af van het aantal producten dat je verwacht te kopen. Het boodschappengeld betaal je gewoon als je je bestelling komt halen.”

Op deze manier doen Luuk en Mia precies waar klanten behoefte aan hebben - ze kopen in wat klanten bestellen - en klanten betalen precies het inkomen waar Luuk en Mia behoefte aan hebben. Arbeid en inkomen zijn dus van elkaar losgekoppeld. “In een gezonde economie gaat het niet in de eerste plaats over geld”, zegt Luuk, “maar over mensen en hun behoeftes en bekwaamheden.”

Contact met de bron

Het bijzondere karakter van de winkel komt voort uit een lange ontwikkelingsweg. Mia Stockman was een van de mensen die in 1976 met De Blauwe Bloem begon. “Het was een informatie- en studiecentrum over antroposofie, een winkel en een eethuisje ineen”, vertelt ze, zittend aan de grote tafel bij een kop koffie uit de thermoskannen. “We organiseerden lezingen en er ontstonden studiegroepen die verschillende nieuwe initiatieven hebben opgericht, zoals de eerste vrijeschool in Gent en een sociaal-therapeutische leef- en werkgemeenschap voor volwassenen. Verder hadden we één kast met Demeter producten en Dr. Hauschka cosmetica.”

Groothandels in biodynamische producten bestonden toen nog niet in België, maar in Nederland waren al enkele ‘verdeelcentra’ opgericht. “Een poosje kregen we onze producten via een student uit Gent die op Warmonderhof zat, de biodynamische landbouwschool bij Tiel. Hij kon iedere week groente, fruit en andere producten voor De Blauwe Bloem mee terug nemen van verdeelcentrum Erda in de Betuwe.”

De belangstelling voor milieuvriendelijke en onbespoten waar groeide. “De Blauwe Bloem groeide uit tot een goed lopende winkel met verse groente en zuivel”, herinnert Mia zich. “Ik kende alle klanten en wist precies wie op welke dag kwam en wat hij of zij zou kopen. Maar dat veranderde in de loop van de 80-er jaren. Het aantal natuurvoedingswinkels in Gent groeide en klanten gingen ‘shoppen’; de ene keer kwamen ze wel, de andere keer niet. De ene week was de zuivel die ik had besteld op vrijdag al op en moest ik de hele zaterdag nee verkopen, de andere week zat ik zaterdagavond met een koeling vol melk.”

Ook aan de inkoopkant groeide de anonimiteit. “De vertegenwoordigers begonnen te komen. Dat waren verkopers die zich een beetje in biodynamisch hadden verdiept. Maar ze hadden net zo goed stofzuigers kunnen verkopen. We verloren het contact met de producent, met de bron. En we verloren het contact met de klant. Ik voelde me steeds meer een verlengstuk van de toonbank.”

Nieuwe vorm

Bij de viering van het 10-jarig jubileum in 1986 kregen Luuk en Mia gelukswensen als ‘op de volgende 10 jaar!’. Maar Mia geloofde er niet meer in. “Nog tien jaar? Ik kon het me niet voorstellen. Ik stelde mezelf de vraag: ‘Wat hebben we in het begin gewild?’ Het antwoord was: ‘Goede Demeter producten leveren aan mensen die er nood aan hebben’. Maar er was een kloof ontstaan tussen de klant en mij.”

In die tijd volgde Luuk de opleiding Sociale Driegeleding in Amsterdam, waar hij veel leerde over hoe een samenleving volgens Rudolf Steiner op een gezonde manier kan functioneren. Steiner heeft deze visie in 1919 beschreven in het boek De Kernpunten van het sociale vraagstuk. “De opleiding voelde voor mij als een warm bad”, vertelt Luuk. “Ik wilde ermee verder. Waar ik me over verbaasde, was dat er in de biodynamische handelswereld, waar Steiners visie op landbouw centraal staat, zo weinig aandacht was voor Steiners visie op economie. Wij zochten een manier om dat in praktijk te brengen.”

Kort na de jubileumviering kwamen ze in contact met een winkel die op diezelfde leest was geschoeid, De Korenmaat in Zeist. Ze gingen erheen om inspiratie op te doen en kwamen vol enthousiasme terug. Zo wilden zij ook verder. Het proces om De Blauwe Bloem een nieuwe structuur te geven moest uiteraard in nauwe samenwerking met gelijkgezinde klanten worden doorlopen. Ruim een jaar, iedere maandagavond, discussieerden ze over de ideale vorm. Op de twaalfde verjaardag van de winkel was het zover. Hadden ze als ‘gewone’ natuurvoedingswinkel vijfhonderd klanten gehad, na de omvorming gingen ze verder als een samenwerkingsverband met veertig gezinnen. “Dat aantal is al die jaren vrij stabiel gebleven. Er vallen mensen af en er komen mensen bij. In 2013 hebben we aan vier klanten een certificaat uitgereikt, omdat ze 25 jaar klant waren. Vanaf de nieuwe start.”

Drie soorten geld

Eén van de punten die in de wekelijkse gesprekken over de nieuwe vorm uitgebreid aandacht kreeg, was de werking van geld. Het karakter van geld is afhankelijk van waar het voor wordt ingezet. Rudolf Steiner maakte een onderscheid tussen drie soorten geld: koopgeld, leengeld en schenkgeld. De klant betaalt zijn boodschappen in de winkel met koopgeld. De winkelier heeft dan echter al geld uitgegeven om de winkel draaiende te krijgen voor bijvoorbeeld de winkelinrichting. De meeste bedrijven betalen deze investering uit eigen middelen of lenen hiervoor geld van de bank. De Blauwe Bloem betrekt dit leengeld, nodig voor het financieren van productiemiddelen, uit een leenkring waar klanten vrijwillig aan mee kunnen doen. Ze stellen een lening beschikbaar voor een bepaalde termijn en ontvangen daar een kleine rente over.

Daarnaast leggen alle klanten een bedrag in ter waarde van ongeveer vier weken boodschappen. Dit vooruitbetaald koopgeld dient vooral om de restvoorraad van producten in de winkel te financieren. Deze bijdrage draagt bij aan een grotere betrokkenheid van de klant. En wanneer ze geen klant meer willen zijn, krijgen ze deze inleg terug.

Een derde soort geld, schenkgeld, ontstaat wanneer er iets overblijft als alle onkosten en inkomens zijn betaald. Dat is dus vrij geld waar niemand aanspraak op hoeft te maken. In eerste instantie vormt deze winst een buffer om onvoorziene verliezen op te vangen. Maar als de reserves groot genoeg zijn, kan het schenkgeld een bestemming vinden in het geestesleven - dus aan initiatieven die bijdragen aan nieuwe ontwikkelingen en nieuwe inzichten.

“Door vooruit te betalen, stellen klanten de winkelier en de producent in staat om hun werk te doen”, legt Luuk uit. “Een voorbeeld: voor de bijenwaskaarsen die een klant in november koopt, heeft kaarsenbedrijf Dipam al in de zomer en herfst bijenwas ingekocht en salarissen betaald. Daarom vragen wij onze klanten of ze al in het voorjaar een bestelling willen doen van de kaarsen die ze in het najaar willen kopen. We vragen ze ook om vooruit betalen. Dipam krijgt van onze winkel dus in mei een bestelling voor november.”

Associaties

Het liefst hadden Luuk en Mia naast klanten en winkeliers ook boeren, tuinders en andere producenten in hun samenwerkingsverband opgenomen. “Dan kun je in de hele keten de behoeftes van producent en consument op elkaar afstemmen”, vertelt Mia. Rudolf Steiner zag een dergelijke ketensamenwerking, een associatie, als de ideale economische vorm. “We hebben in het verleden diverse pogingen gedaan om rechtstreeks afname- en prijsafspraken te maken met telers, met wisselend succes. Om tot die afspraken te komen, is er een zekere bereidheid nodig om anders over economie te denken. Bijkomend probleem is dat wij een kleine partij zijn, zodat het voor een boer of tuinder niet direct interessant is om mee te doen. Wij zouden graag het merendeel onze groente en fruit rechtstreeks bij de boer ophalen, maar in de praktijk kopen we het grootste deel in via de groothandel.”

Luuk legt drie kleiige aardappels op tafel. “Dit zijn de laatste aardappels geteeld door Maarten Guépin. Hij was jarenlang de akkerbouwer op Boerderij Ter Linde op Walcheren, onderdeel van de biodynamische landbouwonderneming Loverendale die in 1926 door Marie Tak van Poortvliet werd opgericht. Wij aten altijd de aardappels van Maarten, maar hij is er kort geleden mee opgehouden en we weten nog niet wie het gaat overnemen. Zijn vertrek geeft ons een gevoel van gaterigheid.”

De aardappels vormden voor hen een brug een bijzondere pionier. “Marie Tak van Poortvliet was de eerste in Nederland die biodynamische landbouw op grote schaal introduceerde, maar zij was ook degene die in 1919 binnen drie maanden Steiners boek De kernpunten van het sociale vraagstuk vertaalde. Ik heb nog een gestencilde uitgave van haar vertaling, heel bijzonder om in handen te hebben. Zij maakte de verbinding tussen Steiners visie op landbouw én op economie, iets wat je nu in mijn ogen veel te weinig ziet.”

Gelukkig blijft er nog een band behouden met het erfgoed van Marie Tak van Poortvliet via de appels en peren van Boomgaard Ter Linde. Maandelijks rijden Luuk en Mia naar Walcheren om daar een voorraad fruit op te halen.

Sleipnir

Op zoek naar andere bedrijven die sociale driegeleding serieus namen, kwamen ze in contact met Odin. Bij verschillende ontmoetingen met vennoten van deze groothandel merkten Luuk en Mia dat ze helemaal op één lijn zaten met hun ideeën over het vernieuwen van de economie. De manier waarop Odin zijn bedrijfskapitaal had ondergebracht in Stichting Sleipnir, sprak hen aan. “Directeur Koos Bakker had gezegd dat we welkom waren om ons aan te sluiten”, zegt Luuk. “Maar het heeft nog jaren geduurd voor we besloten die stap te zetten.”

In de kapitaalsbehoefte van De Blauwe Bloem was al voorzien door de inleg en de leningen van klanten en voor nieuwe investeringen wilden ze hun eigen klantenkring blijven aanspreken. Luuk en Mia hadden Sleipnir dus niet nodig om kapitaal aan te trekken. Maar Sleipnir kan ook een belangrijke rol spelen bij de overdracht van een bedrijf aan een jongere generatie. Dit realiseerden zij zich toen ze Erik Saal hoorden vertellen hoe hij de kaarsenmakerij Dipam had kunnen overnemen. Mia en Luuk waren bij die feestelijke overdracht aanwezig.

“Wij hebben een VOF, dus de reserve die De Blauwe Bloem heeft opgebouwd staat op onze naam, maar deze buffer is beschikbaar gesteld door de klanten. Als wij op een gegeven moment het bedrijf overdragen of ermee ophouden, dan moet dit geld op een plek terecht komen waar vanuit hetzelfde gedachtegoed wordt gewerkt.”

In de loop van 2014 zal De Blauwe Bloem, nu nog aspirant-lid, zich definitief bij Sleipnir aansluiten. De VOF wordt een CV met Sleipnir als stille vennoot. “Dat betekent dus dat we ons kapitaal echt moeten overdragen. Toen we ons dat goed realiseerden, was dat toch even slikken. Het vraagt veel vertrouwen - dat het geld er inderdaad is als we het nodig hebben. Maar zelf krijgen wij ook veel vertrouwen van onze klanten. Wij geven dat vertrouwen door.”

Het bedrijf levert Luuk en Mia dus geen spaarpot op. Hebben ze hun pensioen - ze zijn nu 60 en 64 jaar - op een andere manier geregeld? Luuk: “Het idee van de pensioenleeftijd van 65 jaar stamt uit de tijd dat mensen gemiddeld 52 jaar oud werden. Waarom zouden we stoppen met werken? We gaan gewoon door. Op een gegeven moment kan ik geen kisten meer sjouwen, maar ik kan cursussen blijven geven over associatieve economie. Daar haal ik ook een stukje inkomen uit. Ik ben ook stadsgids in Gent en dat hoop ik nog te doen als ik 80 ben.”

Ze hebben nu als aspirant-leden vier keer een bedrijvenraad meegemaakt met de andere ondernemers binnen Sleipnir. “Deze bedrijven hebben een heel verschillend kaliber en houden zich met heel verschillende dingen bezig. Maar inhoudelijk sluit deze club volledig bij ons aan. We voelen ons deel van een gemeenschap. Met gelijkgezinde mensen bespreken we de vragen die we in ons werk tegen komen. Ook alle jaarrekeningen komen open op tafel. In deze kring voelen wij ons spiritueel gedragen.”